Niemand weet Wie hij is, die man Met zijn kromgetrokken lichaam Met zijn sjaal zo slordig rond z'n hals Niemand weet Niemand weet Hoe hij slentert Door de morgen Wat hij droomt Als de zon ontwaakt Hij begrijpt Het zuchten van de wind Strooit lavendel in de nevel Kijk, de spreeuwen zitten weer laag Bij het koren En het paard trekt voren naar de zon
Niemand weet Hoe de tijd verweert In zijn doofgedronken lichaam Van de geur als hij D'oogst binnenhaalt Niemand weet Niemand weet Als het regent Over zijn rijkdom Dat hij ruikt als het land verzuipt Hij ontwijkt Elk gerucht van 't dorp Dat het land zou moeten wijken Voor de regenwegen van steen Mijn God, dat dit nooit gebeuren mag